Voorwoord tot de Zweedse editie (2002) van Communisme is de materiële menselijke gemeenschap: Amadeo Bordiga in onze tijd
De kern van de onderstaande tekst is geschreven in 1988, nog voor de instorting van het Sovjetblok, en is daarna licht aangepast voor de eerste Engelse publicatie (1991) om te zorgen dat notie gegeven werd van de “gebeurtenissen” van 1989-91. In de loop van het afgelopen decennium is de tekst vervolgens naar zeven andere talen vertaald. Dat de tekst geschreven is vóór de instorting (een gebeurtenis die ik als zoveel anderen niet voorzien had) en tien jaar later nog steeds internationale belangstelling geniet, geeft aan dat de tekst, wat de verdere gebreken ervan ook zijn, te raken aan een aantal diepere actuele vragen die bij mensen spelen.
De aandacht voor het werk van Amadeo Bordiga is sinds 1988 alleen maar toegenomen [1], en lijkt zelfs op koers om (hopelijk met gunstiger resultaat) de eerdere fascinatie met Antonio Gramsci in de jaren zestig en zeventig te overtreffen; Gramsci, die niet toevallig in de jaren twintig de sleutelpersoon was die namens Moskou de Italiaanse Communistische Partij van Bordiga’s invloed moest ontdoen. [2] Een meerderheid van de “Gramsci-aanhangers” van de jaren zestig en zeventig had uiteraard nauwelijks besef van Gramsci’s eigenlijke politieke rol, maar ze waren tenslotte al even weinig geïnteresseerd in de politiek van hun eigen tijdperk. De naoorlogse Gramsci-aanhangers in met name de Engelstalige wereld (te denken is aan Carl Boggs, bewonderaar van het “Eurocommunisme” van de jaren zeventig) bewogen mee op een golf van “culturalisme” waarvan ook de Frankfurter School en het Franse poststructuralisme deel uitmaakten, een ontwikkeling die hen (net als de bredere sociale laag waaruit ze afkomstig waren, de geradicaliseerde middenklassen) voorkwam als een waardige opvolger voor het “vulgaire Marxisme”. (Hadden ze iets meer besef gehad van Bordiga dan nodig was voor een banale afwijzing, hadden ze hem waarschijnlijk alsnog ingedeeld onder de noemer “vulgair Marxisme”.) De Gramscianen hadden, net als andere stromingen in het culturalistische kamp, een voorkeur voor discussies over culturele hegemonie boven zulke “vulgair Marxistische” kwesties als de kritiek van de politieke economie, laat staan de “kunst van de opstand”, en de teruggang van hun invloed loopt netjes parallel aan die van de culturalistische illusies. Het kapitalisme zelf heeft daarentegen veel baat gehad bij het “culturele radicalisme” van de jaren zestig, dat zoals inmiddels gebleken is, een grote bijdrage leverde aan de managerswijsheden van de jaren negentig. [3]
De invloed van Gramsci nam ook duidelijk af door de neergang van de Italiaanse Communistische Partij en haar strategie van het historische compromis vanaf de jaren zeventig.
De stroom van ideologische uitscheidingen die volgde op 1989-91 is te massaal van aard om hier te bespreken. De nodige kapitalistische juichredes hamerden er eerst en vooral op dat “het mislukken van het Marxisme” in Rusland inhield dat het kapitalisme al haar rivalen overwonnen had. In dit klimaat werden revolutionairen overal gestimuleerd om hun blik te wenden naar het tijdperk vóór 1917, toen verschillende stromingen, van Rosa Luxemburg en de Duits-Nederlandse radencommunisten [4] tot Spaanse anarchisten en revolutionaire syndicalisten in Engeland, Frankrijk, Schotland en de V.S. (de I.W.W.) geen enkele noodzaak voelden aan een Sovjetunie om zichzelf (al dan niet terecht) uit te roepen tot dragers van een maatschappij voorbij het kapitalisme. Het is in dezelfde nieuwe historische modaliteit dat Amadeo Bordiga opnieuw in beeld komt als een van de meest briljante, en vergeten, Marxisten van de twintigste eeuw.
De kapitalisten en hun pleitbezorgers in “gematigd linkse” kringen, voor wie de “korte twintigste eeuw van 1917 tot 1991” een nodeloze dwaalweg vormde (die bovendien “iedereen” overtuigd heeft dat aan het verre uiteinde van elke kinderlijke revolutionaire droom een onvermijdelijke Goelag staat te wachten) zien een kleinigheid stelselmatig over het hoofd: namelijk dat het bestaan van de Sovjetunie, en het blok dat eromheen ontstond, al vanaf midden jaren twintig en mogelijk nog eerder, voor een onomwonden STABILISATIE van de kapitalistische wereldorde zorgde. Het bestaan van de Sovjetunie deed effectief het deksel dicht op het historische geheugen ten aanzien van alle eerdergenoemde antikapitalistische stromingen (wat ook hun problemen, onderlinge onenigheden of geschiktheid voor een actueel perspectief mogen zijn). Toen dat deksel weer loskwam, keerden al deze stromingen in enigerlei vorm terug op het toneel. Inmiddels is duidelijk dat de Russische revolutie in de geschiedenis van het communisme dezelfde status zal krijgen als de elfde-eeuwse Italiaanse stadstaten hebben gekregen voor de geschiedenis van het kapitalisme, namelijk: die van voorlopers, vol van lessen voor de toekomst, maar daarnaast overstelpt door een verzameling rotzooi uit het verleden. (Ook niet over het hoofd te zien, is dat het wegslaan van het “deksel” van de Koude-Oorlogspolarisatie ook de terugkeer betekende van ongebreideld “vrije marktkapitalisme”, fascisme en religieus fundamentalisme van allerlei aard.)
Sterker dan toen ik onderstaande tekst schreef, geloof ik dat het belangrijk is om Bordiga te plaatsen in de context van de revolutionaire Marxistische stromingen die bestonden voorafgaand aan de nederlaag van de Russische revolutie, als een van de belangrijkste figuren daarin, naast Marx, Luxemburg, Pannekoek, Gorter, en ook Lenin [5] en Trotski, (en ten tweede, de meer strikt theoretische figuren van Korsch, Lukács en Bloch). Het doel is niet om op een mechanische wijze te bepalen “wie er gelijk had” maar om ze te zien in het kader van een reeks debatten [6], waarvan de inhoud gebroken weergegeven, misvormd en begraven is door de tachtig jaar aan contra-revolutie na 1921. Ik denk nog steeds dat het, zoals de Franse neo-Bordigistische stromingen van dertig jaar terug stelden [7], onze “taak” is om de sterke en zwakke punten te doordenken van de Italiaanse en Duits-Nederlandse linkse stromingen, als de werkelijk revolutionaire stromingen in de wereld na de Eerste Wereldoorlog. Het is eigenaardig en onthullend dat van alle bovengenoemde persoonlijkheden, Bordiga (met mogelijke uitzondering van Gorter) het minst bekend blijft. Naar mijn inschatting hangt zijn onbekendheid samen met het feit dat Bordiga afkomstig was uit een land dat geen grootmacht was, waar het fascisme als eerste (in 1922) aan de macht kwam en zo revolutionair links dwong om ondergronds of in ballingschap te gaan. Na de Tweede Wereldoorlog zorgde bovendien de grootste westerse communistische partij er voor dat hij vrijwel werd weggeschreven uit haar ontstaansgeschiedenis, verscholen gaand achter de bijna-heiligverklaring van Antonio Gramsci.
Nogmaals wil ik benadrukken dat het niet mijn doel is een of andere rode draad van ononderbroken “correcte” continuïteit op te graven. Eerder gaat het me erom dat we de radicale golf van 1917-1920 in de juiste context van de wereldgeschiedenis van het kapitalisme begrijpen, en de sterktes en zwakheden van alle stromingen in dat moment kunnen zien tegen de achtergrond van de nederlaag. Elke belangrijke stap vooruit van de werkelijke beweging (1848, 1871, 1905, 1917-1921, tot de terugkeer van revolutie in 1968) biedt ons de mogelijkheid om het verleden te “zien” op een manier die grotendeels onmogelijk is in de periodes van eb die ertussen liggen, of zelfs op de momenten zelf. (Iets soortgelijks zei CLR James in Facing Reality uit 1958, namelijk dat de Hongaarse opstand van 1956 ons “een nieuw paar ogen” had gegeven, waarmee we de revolutionaire geschiedenis tot zover terug als de Engelse Revolutie van 1649 opnieuw konden bekijken.)
Tot slot moet melding gemaakt worden van Bordiga’s teksten uit de jaren vijftig en zestig [8], waarvan ik er slechts enkele kende toen ik de onderstaande tekst schreef. Bordiga was van beroep civiel ingenieur, iets dat hem een uitzonderlijk inzicht gaf in de werking van grondrente, stedenbouw, milieuvraagstukken en veronderstelde “natuurrampen” zoals overstromingen, die veel sterker een uitdrukking zijn van sociale verhoudingen dan destijds in brede kring erkend werd. Meer dan enig andere twintigste-eeuwse Marxist nam Bordiga de vervreemding tussen stad en platteland serieus, als een antagonisme van het kapitalisme dat overwonnen moet worden. Bordiga benadrukte steeds dat het kapitalisme tussen de vijftiende en de achttiende eeuw geboren werd uit een massale onteigening van zowel werktuigen (van ambachtslieden, boeren) en van de grond (boeren) en dat communisme, op een volkomen getransformeerde manier, een “her-toeeigening” in zou houden van datgene wat ambachtslieden in het eerdere proces ontnomen was. Zijn gerichtheid op de “agrarische kwestie” in veel historische wendingen (bijvoorbeeld in zijn analyse van het kapitalisme in de Sovjetunie) vloeit direct voort uit die waarneming. Bordiga had een hekel aan “originaliteit”, redenerend dat de “onveranderlijkheid” [“invariance” – vert.] van de communistische theorie in 1847 door Marx opgetekend was, maar Bordiga was zelf toch minstens origineel in het opgraven van die onveranderlijkheid waar deze de landbouw en de grond betrof. Het is bovenal dát feit (zoals onderstaande tekst uiteenzet) dat hem “eigenaardig eigentijds” maakt.
Loren Goldner
Noten bij het voorwoord
[1] – Deze wederopleving is nu al zo groot dat ik hier slechts een indicatie kan geven. Deze blijkt niet alleen uit het verschijnen van een nieuwe zesdelige verzameling van Bordiga’s geschriften, maar daarnaast van grote studies zoals van Arturo Peregalli/Sandro Saggioro, Amadeo Bordiga, La Sconfitta e gli anni oscuri (1926-1945) (Turijn, 1998). Dezelfde twee auteurs hebben een omvattende bibliografie geredigeerd van Bordiga’s geschriften en van boeken en artikelen door anderen over diens werk: zie Amadeo Bordiga, 1889-1970. Bibliografia, Milaan 1995. Een middelmatige Engelstalige vertaling van Philippe Bourrinet’s boek The “Bordigist Current” (1919-1999). Italy, France, Belgium is te vinden op de website “Left-Wing Communism”. Tenslotte vond er in Milaan in 1996 een internationale conferentie plaats (die meer academisch dan direct politiek was), en enkele van de bijdragen zijn vervolgens verschenen in L. Cortesi ed. Amadeo Bordiga nella Storia del Comunismo, Napels 1999.
[2] – John Chiarada, Antonio Gramsci: The Dark Years. Ongepubliceerd manuscript. Voor de “orthodox Bordigistische” kritiek van Gramsci en Gramscianisme, zie hoofdstuk VI van Deel 2 van Storia della Sinistra Comunista (Milaan, 1972).
[3] – Tom Frank zet dit erg overtuigend uiteen in zijn One Market Under God (New York, 2000).
[4] – Zie La Gauche Hollandaise (1990) gepubliceerd door de Internationale Communistische Stroming (ICS). De tekst is afkomstig van Philippe Bourrinet die later de ICS verliet, maar desondanks bracht die organisatie later een Engelstalige editie uit. Bourrinet is bezig zijn eigen herziene versie van het boek voor te bereiden op een toekomstige publicatie.
[5] – Tegenwoordig kom je mensen tegen die gefascineerd zijn door Bordiga maar voor wie Lenin een scheldwoord is. De relatie tussen Bordiga en Lenin is complex, en Bordiga beschouwde zichzelf beslist een Leninist, ondanks uitgesproken meningsverschillen tussen de twee in 1921-1922. Bordiga mag dan een Leninist zijn geweest, niet alle Leninisten zijn Bordiga.
[6] – Opnieuw Bourrinet, in The Dutch Left, over hoe de Lenin van vóór 1917 door Pannekoek en Gorter beïnvloed was in het debat over de massastaking in de Tweede Internationale.
[7] – Ik verwijs naar teksten uit de vroege jaren zeventig van Jacques Camatte en Jean Barrot ofwel Gilles Dauvé, die in de tekst geciteerd zijn.
[8] – Veel van de teksten die Bordiga in de jaren vijftig en zestig schreef, zijn in herdruk beschikbaar via de Partito Comunista Internazionale, onder de titel Sul Filo Del Tempo, waarvan sinds 1998 zeven delen uitgegeven zijn. Deze kunnen besteld worden door te schrijven naar Edizione il programma comunista, Casella postale 962, 20101 Milaan, Italië.

Communisme is de materiële menselijke gemeenschap: Amadeo Bordiga in onze tijd
– Loren Goldner
(Oorspronkelijk verschenen in CRITIQUE 23, 1991)
Decennialang hebben revolutionaire Marxisten de sociale werkelijkheid van de Sovjetunie, China en andere zogenaamd “socialistische” maatschappijen opgevat als de ontkenning van Marx’ project van arbeiders- en menselijke emancipatie. Talloze theoretici, te beginnen met Rosa Luxemburg in haar tekst uit 1918 “De Russische Revolutie”, en gevolgd door Mattick, Korsch, Bordiga, Trotski, Schachtman of CLR James (om er slechts enkele te noemen), hebben enorme inspanningen geleverd om een antwoord te geven op het bekende “Russische vraagstuk”: de specifieke betekenis die de nederlaag van de Russische revolutie en het internationale succes van het Stalinisme voor Marxisten heeft. De reeks opvattingen die voortkomen uit dit debat lijken vooral een bevestiging van de typering van Winston Churchill, zeer ver verwijderd van Marxisme en links, die het Sovjetsysteem een “raadsel, verpakt in een mysterie, binnenin een enigma” noemde. De huidige erfgenamen van theorieën over de “gedegenereerde arbeidersstaat”, “staatssocialisme”, “bureaucratisch collectivisme”, “staatskapitalisme” of de “overgangsmaatschappij” hebben elk hun analyses en verklaringen – veel ervan geruststellend voor hun eigen traditie – van de ontbinding van het Oostblok na 1989. Met het getemperde optimisme dat eigen is aan de traditie van Marx, namen de meeste van deze stromingen (evenals de auteur dezes) aan dat de levenloze Stalinistische bureaucratie direct opgevolgd zou worden door de revolutionaire werkende klasse, die alsnog het gevecht voor daadwerkelijk socialisme zou opnemen. Wat weinigen voorzagen – met name, maar niet uitsluitend, de Trotskisten, die veronderstelden dat het Oostblok rustte op een maatschappelijk superieure basis dan het Westen – is dat de eerste gegadigden voor de opvolging van het Stalinistische bestuur niet een revolutionair Marxisme zou zijn maar een blind pro-westers neoliberalisme, geïnspireerd door Von Hayek en Milton Friedman, en heroplevende autoritair-rechtse stromingen met hun oorsprong in het interbellum (met ex-Stalinisten als prominente deelnemers in beide). Een nog kleiner aantal had aan zien komen dat de ontbinding van de sociale fundamenten van het Stalinisme een diepe crisis van het Marxisme zelf met zich mee zou brengen. Dat de crisis van het Oostblok geen sovjets en arbeidersraden in het leven roept, maar bloed-en-bodemvarianten van populisme, moordlustig nationalisme, religieus fundamentalisme en antisemitisme (autoritaire stromingen die links zwaar overvleugelen in het vormgeven aan anti-IMF en anti-marktsentimenten), maakt duidelijk dat grote delen van het conceptuele kader waarover revolutionaire Marxisten in zowel Oost als West beschikken om de wereldgeschiedenis sinds 1917 te bevatten, ernstig aan heronderzoek toe zijn.
Het volgende artikel is geschreven als bescheiden bijdrage aan dat heronderzoek. Het bespreekt de opvattingen over de aard van de Sovjetunie van de Italiaanse Marxist Amadeo Bordiga (die op zijn hoogst herinnerd wordt, als dat überhaupt al gebeurt, als een van de “ultralinksen” die Lenin onder vuur nam in het pamflet “De linkse stroming, een kinderziekte van het communisme”) . In algemenere zin bespreekt het de stelling dat de agrarische kwestie, die voor Bordiga fundamenteel was in het karakteriseren van het kapitalisme, de feitelijke, weinig besproken sleutel is tot de geschiedenis van zowel sociaaldemocratie als Stalinisme, als de twee mutaties van het Marxisme die in de twintigste eeuw dominant waren. Dit artikel stelt dat de Europese (bovenal de Duitse) sociaaldemocratie als zodanig, zelfs wanneer die een kennelijk Marxistische taal sprak, een statelijke vervorming van Marx’ project was, en eerder een school voor een hogere fase van kapitalisme, de opkomende Keynesiaanse verzorgingsstaat. Het beargumenteert dat wat momenteel aan het verdwijnen is, deze lange statelijke omweg in de arbeidersemancipatie betreft: iets dat eerder een plaatsvervangende burgerlijke revolutie inhield voor de industrialisatie van achtergebleven samenlevingen dan enigerlei socialisme of communisme. Tenslotte wordt gesteld dat het instandhouden van de traditionele rooskleurige bril van de historische Duitse sociaaldemocratie (die al kenmerkend was vóór de overwinning van het “revisionisme” daarbinnen) alleen maar kan leiden tot een impasse en tot het ontbreken van een actueel perspectief. De geschiedenis, die zoals altijd voorligt op de theorie, is bezig het puin uit de weg te ruimen van het statelijke erfgoed van sociaaldemocratie en Stalinisme. Belangrijker dan ooit is de vraag hoe het Marxiaanse project, vanaf 1860 en later, verstrengeld is geraakt met het statelijke project van verlicht absolutisme en de bijbehorende opvatting van Aufklärung. Nog belangrijker is natuurlijk de vraag hoe het zich ervan los kan maken.
Pogingen om de aandacht te vestigen op het belang van het agrarische vraagstuk in de Sovjetgeschiedenis, zijn op zich nauwelijks nieuw te noemen. Mensen als Barrington Moore ontwikkelden al tijden terug zo’n perspectief, althans binnen de academische wereld [1]. Maar de stemming van de jaren zestig, toen het boek van Moore verscheen, was nog sterk gericht op industriële ontwikkeling als de essentie van het kapitalisme, en omdat Moore verder vooral een fletsere versie leek te geven van Trotski’s theorieën van permanente revolutie en gecombineerde en ongelijkmatige ontwikkeling, had het werk geen bijzondere weerslag op de Marxistische discussie. Adam Ulam, die nog verder van het Marxisme verwijderd was, had tijdens de Koude Oorlog geschreven dat de eigenlijke inhoud van de Marxistische beweging het agrarische vraagstuk was [2]; zijn doel daarmee was om “Marxisme” (dat hij gelijkstelde aan de Sovjetideologie) in diskrediet te brengen door te laten zien dat het voortkwam uit onderontwikkeling, en niet uit kapitalisme. Gerschenkron, die een historisch rijker verslag geeft dan Ulam, leek ook weinig meer dan een schaduw van Trotski. [3]
Ongetwijfeld het belangrijkste twintigste-eeuwse boek dat invloed had op Marxistische opvattingen over het agrarische vraagstuk, en voortkwam uit een revolutionair anti-Stalinistisch milieu, is Preobrazhenski’s “Nieuwe Economie”: een boek dat, wat de gebreken ervan ook zijn, essentieel blijft om het lot te begrijpen van de internationale linkse oppositie. [4] Preobrazhenski’s begrip van “socialistische accumulatie” ten koste van de boerenbevolking is op haar beurt schatplichtig aan Rosa Luxemburg’s De accumulatie van kapitaal; Preobrazhenski stelt dat de “arbeidersstaat” bewust en op humane wijze datgene kan volbrengen wat historisch, door de kapitalistische staat, blind en op bloedige wijze volbracht is – namelijk de omvorming van de kleine agrarische producenten tot fabrieksarbeiders. (Uiteindelijk was de eer aan Stalin om dezelfde omvorming bewust, en op bloedige wijze te volbrengen.)
Wat de meerderheid van westers links aangaat, staan de opvattingen van de fascinerende persoonlijkheid van Amadeo Bordiga ergens aan de marges van deze discussie. Als eerste algemeen secretaris van de PCI, en met Gramsci de belangrijkste oprichter ervan, was Bordiga de laatste Westerse revolutionair die Stalin in levende lijve uitkafferde als doodgraver van de revolutie, en het kon navertellen. Datzelfde jaar werd hij de PCI uitgezet, samen met enkele duizenden “Bordigisten”. In 1928 stemde de “Italiaanse Communistische Linkerzijde” (zoals ze zichzelf noemden) voor Trotski als “hoofd van de internationale – linkse oppositie” en er volgde een lange politieke correspondentie tussen Bordiga en Trotski, die uitliep op een breuk rond 1931-32. Bordiga blijft echter één van de meest originele, briljante en volstrekt verwaarloosde Marxisten van de afgelopen eeuw. (Van zijn nalatenschap kon nooit, zoals van Gramsci, een aanlokkelijk product gemaakt worden door de naoorlogse PCI.) Hij bleef tijdens de oorlog in Italië (nadat hij door de Comintern uit de partij gezet en op de gebruikelijke wijze verketterd was, werd hij door Mussolini met rust gelaten en hield hij zich bezig met zijn carrière als ingenieur). In een bepaald opzicht was het pas na de Tweede Wereldoorlog dat Bordiga’s werk, waar dat het heden aangaat, echt belangwekkend wordt. Hij leefde tot 1970 in het virtuele duister, en schreef zelfs nog een aantal stukken over de opleving van strijd in 1968. Zijn missie na de oorlog was, in zijn optiek, het redden van de “theoretische lessen” van de wereldwijde revolutionaire golf van de periode 1917-1921. Net als vrijwel alle anti-Stalinistische revolutionairen in 1945, voelde hij dat dit vroeg om een afrekening met het “Russische enigma”, en hij schreef drie boeken (die nooit naar het Engels, maar wel naar het Frans vertaald zijn) over de Russische revolutie en de Sovjeteconomie. [5] Ook schreef hij een driedelige geschiedenis van de Italiaanse Communistische Linkerzijde (een term die zijn eigen factie aanduidt; de geschiedenis eindigt helaas in het jaar 1921) en talloze korte brochures en pamfletten. [6] Zijn werk is qua stijl vaak opgeblazen en onleesbaar, maar tegelijkertijd meer dan de moeite waard. Wat er aan Bordiga’s opvatting ongewoon en eigenaardig eigentijds is, is eenvoudig gezegd zijn theorie dat kapitalisme gelijkstaat aan de agrarische revolutie. Waarschijnlijk ontwikkelde hij deze opvatting al in de periode vóór 1914; enkele van zijn eerste stukken gaan over de standpunten van Franse en Italiaanse socialisten over de agrarische kwestie. [7] Het is niet altijd makkelijk om het pad dat Bordiga aflegt te volgen; hij geloofde in “revolutionaire anonimiteit”, had een felle afkeer van persoonsverheerlijking, en ondertekende vaak zijn eigen werk niet, inclusief zijn boeken. In 1967 werd onder de titel “In de marges van het 50-jarige jubileum van oktober 1917” een Bordigistische taxatie van de Russische revolutie gepubliceerd. [8] Het is een lezing die buiten het universum valt van de gebruikelijke Stalin/Trotski/staatskapitalisme-polemiek die in de V.S., Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland op dit vlak overheerst. (Bordiga gebruikt bijvoorbeeld nergens de term “staatskapitalisme”, en zelden de naam “Sovjetunie”, ter erkenning van het feit dat de sovjets er al lang tevoren weggevaagd werden.) Voor hem was het eenvoudigweg Russisch kapitalisme, dat niet noemenswaardig verschilde van andere gevallen. Bordiga had een verfrissende behoefte om de preoccupaties van de internationale revolutionaire beweging te “de-Russificeren”. Hij zei dat de beweging van de werkende klasse al wel vaker in de geschiedenis door contrarevoluties van zijn stuk gebracht was (bijvoorbeeld na 1848 met Louis Napoleon) en dat er aan Rusland niets uitzonderlijks was. Anderzijds wordt deze stoïcijnse houding tegengesproken door zijn vijfentwintig jaar lange fixatie op de Russische economie. (Ook interessant is dat Bordiga vanaf 1945 een lange periode van kapitalistische expansie en arbeidersreformisme voorspelde, die zou eindigen in een volgende wereldcrisis rond het jaar 1975. [9]) Bordiga’s analyse van Rusland, zoals hij die na 1945 zou ontwikkelen, is als volgt. Hoewel zijn factie Trotski volkomen gesteund had in de factiestrijd van de jaren twintig, grotendeels om redenen die het buitenlands beleid van de Sovjetstaat en de Comintern betroffen, nam de Bordigistische analyse afstand van de superindustrialisatie-strategie van de Linkse Oppositie, om wat uiteindelijk “Boekharinistische” redenen waren. Hij meende na 1945 dat alleen iets soortgelijks als Boekharin’s strategie hoop had gegeven om het internationale revolutionaire karakter van het regime te behouden (wat Bordiga van groter belang achtte dan de industrialisering van Rusland) opdat het proces niet de partij van de Bolsjewieken zou verwoesten. Boekharin stelde in de factiestrijd van 1924-1928 dat de implementatie van Trotski’s linkse strategie van “superindustrialisatie” alleen ten uitvoer gebracht zou kunnen worden door de meest giganteske staatsbureaucratie die de geschiedenis ooit gezien had. [10] Toen Stalin er met het linkse programma vandoor ging en het in de praktijk bracht, werd deze voorspelling van Boekharin volledig bewaarheid, wat Trotski onderhands erkende nadat een groot deel van zijn factie zich aan Stalin overgegeven had. [11] Meer nog dan Trotski nam Bordiga het idee van het internationale karakter van de revolutie en van het Sovjetregime serieus; het idee van “socialisme in één land” was voor hem een groteske beschimping van alles waar het Marxisme voor stond, wat het natuurlijk ook was. In zijn laatste confrontatie met Stalin in Moskou in 1926, deed Bordiga het voorstel dat alle communistische partijen van de wereld gezamenlijk de Sovjetunie zouden besturen, als een demonstratie van de supranationale realiteit van de beweging van de werkende klasse. [12] Dit voorstel werd vanzelfsprekend nogal koeltjes ontvangen door Stalin en vrienden.
Maar dit is pas het begin. Bordiga’s werk over de kapitalistische aard van de Sovjeteconomie richt zich, in tegenstelling tot dat van de Trotskisten, in verregaande mate op de agrarische sector. Hij wilde laten zien dat er kapitalistische sociale verhoudingen bestonden in de kolchoz en in de sovchoz, de ene een coöperatieve boerderij en de andere een regelrechte staatsboerderij met loonarbeid. [13] Hij benadrukte hoeveel van de agrarische productie afhankelijk was van kleine stukken grond in privébezit (hij schreef dit in 1950) en voorspelde tamelijk treffend de hoeveelheden waarin de Sovjetunie zou beginnen graan te importeren, nadat Rusland in de jaren tussen 1880 en 1914 een grote graanexporteur was geweest.
De redenen die Bordiga ertoe brachten de industriële sector minder te benadrukken en de landbouw des te meer, is, zoals ik al zei, afkomstig van theoretische en strategische overwegingen die verder teruggaan dan de Russische revolutie. Wederom betekende kapitalisme voor Bordiga eerst en vooral de agrarische revolutie, de kapitalisering van de landbouw. Bordiga had, als gevolg van deze overwegingen, een andere beoordeling van Boekharin als typische revolutionaire opponent van het Stalinisme. Hij introduceerde een nieuw onderscheid tussen Lenin en Trotski. Veel van degenen die onderscheid maken tussen Lenin en Trotski, zijn Stalinisten en Maoïsten. Maar Bordiga slaagt erin het speelbord om te keren. Gebruik makend van een formulering van Lenin, noemde Bordiga de Russische Revolutie een “dubbele revolutie” [14] waarin de politieke machtsgreep door het proletariaat de voltooiing van de taken van de burgerlijke revolutie mogelijk maakt, bovenal de afbraak van pre-kapitalistische sociale verhoudingen in de landbouw. Het grote prototype van deze laatste was ongetwijfeld augustus 1789 in Frankrijk. Trotskisten riepen altijd dat Lenin in april 1917 “een Trotskist werd” door de stellingen van de theorie van de permanente revolutie te omarmen. Maar Lenin was het met Trotski in bepaalde nuances oneens gebleven, wat zichtbaar werd in zijn formuleringen in 1920-21 over de aard van het nieuwe regime, met name in zijn opmerkelijke toespraken voor het partijcongres van 1921, zijn polemieken tegen de Eerste Arbeidersoppositie en hun aanklacht dat de Sovjetstaat “staatskapitalisme” bedreef. In zijn antwoord zei Lenin dat staatskapitalisme een enorme stap vooruit zou zijn ten opzichte van wat Rusland feitelijk was, namelijk een kapitalisme van kleine producenten met een arbeiderspartij die de controle van de staat had. [15] Voor Bordiga was het helder dat, zodra deze politieke uitdrukking van de werkende klasse verwoest was door Stalin, het enige overblijfsel een kapitalisme van kleine producenten was. Lenin’s gebruik van de term “arbeidersstaat met bureaucratische deformaties”, was in de vroege jaren twintig iets heel anders dan Trotski’s gebruik van dezelfde term in 1936. Het is hier niet mogelijk of nodig om het hele verloop op te sommen van wie vervolgens wat gezegd heeft over hetzelfde vraagstuk. Wat er achter deze verschillende strategische en tactische oordelen steekt, zijn twee tegengestelde opvattingen van Marxisme. Het belangrijke aspect is dat voor Trotski en de Trotskisten het permanente karakter van de revolutie vastlag in “eigendomsvormen” en later uitgedrukt werd in de groei van de productiekrachten. [16] Voor Bordiga was de groei van de productiekrachten slechts een bewijs van het burgerlijke karakter van het Sovjetfenomeen. Hij keerde de Stalinisten op hun kop door te stellen dat Trotski’s probleem niet diens “onderschatting” van de rol van de boeren was, maar zijn overschatting van de mogelijkheid dat de boeren, en de agrarische revolutie van kleine producenten, iets te maken konden hebben met een proletarische revolutie.
In Bordiga’s opvatting waren Stalin, en later Mao, Ho, enzovoort, “grote romantische revolutionairen” [17] in de negentiende-eeuwse zin van het woord, dat wil zeggen: burgerlijke revolutionairen. Hij meende dat de Stalinistische regimes die ná 1945 tot stand kwamen niet meer deden dan de burgerlijke revolutie voortzetten, dat wil zeggen, de onteigening van de Pruisische Junckerklasse door het Rode Leger, door middel van hun agrarische beleid en door de ontwikkeling van de productiekrachten. Op de stellingen van de Franse ultralinkse groep “Socialisme ou Barbarie” die het regime na 1945 aanklaagden als staatskapitalistisch, reageerde Bordiga met een artikel getiteld “Avanti Barbari!” (“Voorwaarts, Barbaren!”) waarin hij de burgerlijk-revolutionaire kant van het Stalinisme verwelkomde als haar enig werkelijke inhoud. [18] (Het is niet nodig het met Bordiga eens te zijn om te erkennen dat dit een coherenter standpunt is dan de stompzinnigheid van de analyses van Trotskisten na 1945 die de Stalinisten in Oost-Europa, China of Indochina beschouwden als heen en weer zwenkende “reformisten” die maar al te graag hun huid zouden verkopen aan het imperialisme.)
De kracht van Bordiga’s interpretatie boven die van Trotski ligt bovenal in zijn kritiek van de aanname, die het Trotskistische denken en dat van hen die zich erop baseren binnengesmokkeld is, namelijk het idee dat Stalin en Stalinisme een “centrum” vertegenwoordigt, tussen een Boekharinistische rechterzijde en een Trotskistische linkerzijde. Het is goed mogelijk dat de overwinning van de Boekharinistische “rechterzijde” in het industrialiseringsdebat meer schade had kunnen berokkenen aan de internationale arbeidersbeweging dan de triomf van het Stalinistische “midden” feitelijk deed. Maar iedereen die een onkritische lijn van Marxistische continuïteit door Trotski na 1924 trekt, accepteert stilzwijgend dit “links-rechts”-spectrum en de consequenties ervan.
Trotski schreef in 1936: “Het socialisme heeft zijn recht op de overwinning gedemonstreerd, niet op de bladzijden van Het Kapitaal, … maar in de talen van staal, beton en elektriciteit.” [19] Door zijn theorie van permanente revolutie door te trekken tot de vorming van sovjets (1905, 1917) tot staatseigendomsvormen en de ontwikkeling van de productiekrachten zelf (ofwel, door het bewijs voor het gedeformeerd socialistische karakter van het regime te zien in haar vermogen om de industrie te ontwikkelen in een “tijdperk van imperialistisch verval”), gaf Trotski de ultieme uitdrukking aan wat ik de “plaatsvervangende burgerlijke revolutie” noem, die het karakter bepaalde van het Marxisme van de Tweede en Derde Internationale.
De na-oorlogse Trotskisten (voor wiens ideeën Trotski uiteraard niet verantwoordelijkheid is) zagen de industrialisering van de Stalinistische regimes, in een periode waarin de derde wereld geen teken van ontwikkeling liet zien, als het definitieve bewijs van hun gedeformeerd socialistische karakter. Tegen deze houding zei Bordiga: “Socialisme is niet iets dat gebouwd wordt.” De taak van de “ontwikkeling van de productiekrachten” is niet de taak van communisten. Hij voegde eraan toe: “Het is inderdaad juist om te zeggen dat in de Sovjetunie de ‘fundamenten van het socialisme’ opgebouwd worden”; voor hem was dit precies het bewijs van het burgerlijke karakter van het regime.
Eén belangrijk voorbeeld van een stroming die zich losmaakte van de pro-Stalinistische neiging van het Trotskisme, zonder het erfgoed van de factiestrijd in de jaren 1920 zelf te onderzoeken, was de Amerikaanse traditie van de Schachtman-aanhangers met hun analyse van “bureaucratisch collectivisme”. De stroming dacht in de jaren 1940 dat het Stalinisme met haar wereldveroverende dynamiek [20] een mogelijke rivaal was voor het socialisme om het kapitalisme een tijdperk lang op te volgen, een aanname die door de latere geschiedenis ontkracht is. In deze kritiek wordt daarnaast de nadruk volledig gelegd op het vraagstuk van “democratie”, dat voor hen in feite de vraag is waar alles om draait. Socialisme wordt opgevat als “democratisch collectivisme”, en waar zowel dát en de oppervlakkige vormen van kapitalisme ontbreken, moet er dan wel sprake zijn van “bureaucratisch collectivisme”. In andere woorden, voor deze traditie draait de volle omvang van haar onenigheid met het Stalinisme en het Trotskisme om de vraag of wat er in Rusland na 1917 of 1921 plaatsvond anti-democratisch was. Uiteraard is dat enorm belangrijk, maar het resultaat is dat geruisloos de “lijn van continuïteit” getrokken wordt door Trotski en Trotski’s Lenin, en dat het inzicht van Boekharin en zijn voorspelling over de staat genegeerd wordt. Dit perspectief (Schachtman-aanhangers kenmerken zich ook door diepgaande onwetendheid over Marx’ kritiek van de politieke economie) draaide kortom om de tegenstelling bureaucratie/democratie en zo wordt dus, net als bij Trotski, de volledige opvatting binnengehaald van de “taken” van de burgerlijke revolutie, die ook in het Marxisme van de Tweede en Derde internationale binnengekropen was. Naast Bordiga was er niemand aan revolutionair-linkse, anti-Stalinistische zijde die de noodzaak om “de productiekrachten te ontwikkelen” zelf als bewijs aanvoerde dat de Sovjetunie geen arbeidersstaat van wat voor soort dan ook was; voor Trotskisten was dit juist het definitieve bewijs, in de hoedanigheid van nationalisaties en centrale planning, dat dit wél het geval was.
Bordiga droeg nog meer bij. Als ingenieur vertoonde Bordiga een soort theoretische rigiditeit die enerzijds ergerlijk was, maar die hem anderzijds in staat stelde de zaken anders te zien. In essentie geloofde hij dat het “communistische program” eens en voor altijd in 1847 door Marx en Engels in het Manifest was neergeschreven, om het jaar daarna bevestigd te worden door het verschijnen van de communistische stroming in de Franse en andere arbeidersbewegingen. Hij geloofde dat Marx en Engels een “onveranderlijke” methodologie hadden uitgewerkt en dat alle mogelijke “vernieuwers” niets meer konden zijn dan slimme burgerlijke filisters op een hellend vlak naar Bernsteinisme of iets van dien aard. Maar tegelijk leidde zijn aandoenlijke stelligheid over de in 1848 vastgestelde principes hem wel tot opzienbarende conclusies over een hele dimensie van de Marxistische traditie die, ik herhaal, grotendeels verloren was geraakt. Bordiga geloofde dat al het zinnige over het Russische vraagstuk al gezegd was tegen de tijd dat Marx in 1883 overleed [21]. Ofwel: Marx’ correspondentie met de Populisten in de jaren 1870, de twee kubieke meter aan aantekeningen over de Russische landbouw die hij bij zijn dood naliet (hij kreeg Het Kapitaal niet af omdat hij de laatste tien jaar van zijn leven gefascineerd was geraakt door het agrarische vraagstuk in Rusland), en de diverse nieuwe voorwoorden bij het Manifest en de andere geschriften uit de periode 1878-1883 die zijn betrokkenheid bij Rusland weerspiegelden. (De reikwijdte ervan had Marx zelfs verborgen gehouden voor Engels, die in woede uitbarstte toen hij tot de ontdekking kwam dat het werk over het Russische vraagstuk feitelijk de reden was waarom Het Kapitaal onaf was gebleven). [22] De belangrijke aspecten voor Bordiga waren Marx’ ontdekking van de Russische boerencommune, en de overtuiging die Marx tussen 1878 en 1881 had, dat Rusland op basis van de commune letterlijk in staat zou zijn de kapitalistische fase van de geschiedenis over te slaan, zelfs in afwezigheid van een revolutie in het Westen, en dat de boeren, voorafgaand aan de kapitalisering van de landbouw, een centrale rol zouden kunnen spelen in dat proces. In diens bekende brief aan Vera Zasulich schreef Marx dat “als Rusland het pad volgt dat het na 1861 is ingeslagen, het de grootste kans zal mislopen die een volk ooit van de geschiedenis gekregen heeft om heen te springen over al de fatale alternatieven van het kapitalistische regime. Net als alle andere landen zal het zich dan moeten neerleggen bij de onvermijdelijke wetten van dat systeem” [23]. Tegen de tijd van zijn dood had Marx geconcludeerd dat Rusland in feite deze kans gemist had, en hij liet dit de Russische populisten ook weten. Voor Bordiga was het voorgaande citaat de samenvatting van het Marxistische erfgoed ten aanzien van het Russische vraagstuk, en was “het hele bloedige proces van de kapitalistische accumulatie” een voorspelling die door Stalin ten uitvoer gebracht werd. Deze kant van Marx’ relatie tot Rusland verdween vervolgens tachtig tot negentig jaar lang in stoffige archieven en voetnoten, hoewel het in recenter jaren weer is opgegraven door figuren als Jacques Camatte en Teodor Shanin. [24]
Het is moeilijk om een eerlijk portret van Bordiga te schetsen zonder zijn houding ten aanzien van democratie te vermelden. Hij definieerde zichzelf met trots als “anti-democratisch” en meende dat hij daar in de opvatting van Marx en Engels deelde. (De relatie hiervan tot de agrarische kwestie wordt later duidelijk.) Bordiga’s vijandigheid ten aanzien van democratie had niets van doen met Stalinistisch gangsterisme. Sterker, hij zag fascisme en Stalinisme als de voltooiing van de burgerlijke democratie! [25] Democratie betekende voor Bordiga bovenal de manipulatie van de maatschappij als een vormeloze massa. Hiertegenover plaatste hij de “dictatuur van het proletariaat”, ten uitvoer gebracht door een in 1847 opgerichte communistische partij, en gebaseerd op de principes en het program dat in het manifest uiteengezet was. Hij verwees vaak naar de geest van Engels’ opmerking dat “aan de vooravond van de revolutie alle reactionaire krachten tegenover ons zullen staan, verenigd onder de vlag van de ‘pure democratie'”. (Zoals inderdaad alle factionele tegenstanders van de Bolsjewieken in 1921, van monarchisten tot anarchisten, riepen om “sovjets zonder bolsjewieken”.) Bordiga was absoluut gekant tegen de aanname dat een revolutionaire inhoud het resultaat kon zijn van een democratisch proces van pluralistische meningsvorming; wat ook de problemen hiervan zijn, heeft het de deugd te benadrukken dat communisme (net als elke andere sociale formatie) bovenal draait om een programmatische inhoud, die in bepaalde vormen uitgedrukt wordt. Het onderstreept het feit dat ook voor Marx communisme niet een ideaal is dat verwezenlijkt moet worden, maar een “werkelijke beweging” die uit de oude maatschappij voortkomt met een stel programmatische taken. [26] In de sfeer van de New Left van de jaren zestig, waar “economische kwesties” vrijwel irrelevant geacht werden dankzij de “welvarende maatschappij”, draaide het debat vrijwel uitsluitend om de tegenstelling bureaucratie/democratie en om “organisatievormen” [27], wat leidde tot een methodologisch formalisme dat weinig bruikbaar bleek toen na 1973 door de economische wereldcrisis alle regels van sociale strijd weer herschreven werden. In een andere context was het Bordiga die, gevraagd waar men in zijn Russische kapitalisme een kapitalistische klasse kon identificeren, stelde dat deze bestond in de tussenruimtes van de Russische economie, als een klasse in formatie. Voor hem was het idee van “staatskapitalisme” onzinnig, omdat de staat enkel het medium kon zijn voor de belangen van een klasse; het idee dat “de staat” iets zou doen als een productiemodus vestigen hield in dat men afstand gedaan had van Marxistische opvattingen. Voor Bordiga was de Sovjetunie een maatschappij in de overgang naar kapitalisme. [28]
Deze kritiek van formalisme had zoals gezegd politieke consequenties, en hield verband met Bordiga’s notie van de rol van de communistische partij. Bordiga wees resoluut de wending naar rechts af die door de Comintern in 1921 werd ingeslagen; als algemeen secretaris van de PCI, weigerde hij de “eenheidsfront”-strategie van het Derde Congres ten uitvoer te brengen. Met andere woorden weigerde hij om de nieuw gevormde PCI, waarin “Bordigisme” overheerste, te doen fuseren met de linkervleugel van de PSI, waarvan ze zich juist hadden losgemaakt. Bordiga had een volstrekt andere opvatting dan de Comintern, die zich aanpaste aan de teruggang van de revolutionaire golf, die in 1921 tot uiting kwam in het Brits-Russische handelsverdrag, Kronstadt, de implementatie van het NEP, het verbod op facties en de nederlaag van de revolutionaire Maart-actie in Duitsland. De strategie van de Westerse CP’s om de teruggang te bestrijden door middel van het “eenheidsfront” een massa linkse sociaaldemocraten op te nemen, was volgens Bordiga een volstrekte knieval voor de contrarevolutionaire periode die hij zag opdoemen. Dit was de context van zijn kritiek op de democratie. In naam van het “veroveren van de massa’s” vertoonde de Comintern de neiging om allerlei programmatische concessies te doen aan linkse sociaaldemocraten. Voor Bordiga was programma alles, en een bezoekersaantallenbegrip van het aantal leden daartegenover betekenisloos. De rol van de partij tijdens de teruggang was om het programma te behouden, haar agitatie en propaganda voort te zetten, zo mogelijk tot de volgende terugkeer van de revolutionaire vloedgolf, in plaats van het programma te verdunnen door een vluchtige populariteit na te jagen. Hierbij zijn vraagtekens te zetten, omdat het kan leiden naar de gesloten wereld van de sekte, wat de Bordigisten ongetwijfeld geworden zijn. Het benadrukt wel een ander feit, waarvoor de Trotskistische vleugel van de internationale linkse oppositie en haar opvolgers blind zijn geweest: toen de “massapartijen” buiten Rusland zich midden jaren twintig het Stalinisme lieten opleggen en het zich eigen maakten, was de basis daarvoor al gelegd door de wending van 1921. Het is amper nodig Bordiga’s antidemocratische opvatting te accepteren om dit te zien. Hij stond afwijzend en onwetend tegenover de rol van sovjets en arbeidersraden in Rusland, Duitsland, en Italië. Maar over de “sociologische” consequenties van het eenheidsfront van 1921 voor de toekomst van de westerse CP’s – hun Bolsjewisering na 1924 – had Bordiga gelijk en de Comintern ongelijk. Want historisch was de sociale basis van veel van het Stalinisme na 1924 bij de westerse CP’s binnen gehaald via de tactiek van het “eenheidsfront” van 1921. [29] Bordiga biedt een manier om een fundamentele ontaarding in de beweging van het wereldwijde communisme te herleiden naar 1921 (in plaats van 1927 met de nederlaag van Trotski) zonder te vervallen in lege oproepen tot “meer democratie”. Het abstracte, formele perspectief van bureaucratie/democratie, waarmee de Trotskistische traditie deze cruciale periode in de geschiedenis van de Comintern behandelt, is losgeraakt van elke inhoud. Bordiga noemde zichzelf zijn leven lang Leninist en polemiseerde nooit direct met Lenin, maar diens volstrekt verschillende inschatting van de samenloop van omstandigheden van 1921, de consequenties daarvan voor de Comintern, en zijn oppositie tegen Lenin en Trotski op het onderwerp van het eenheidsfront verhelderen een keerpunt dat verder volstrekt in het duister blijft bij de erfgenamen van de Trotskistische vleugel van de internationale linkse oppositie in de jaren twintig.
Bordiga’s idee dat kapitalisme gelijkstaat aan de agrarische revolutie vormt de sleutel tot de 20e eeuw; ook is het de sleutel voor vrijwel alles dat links in de twintigste eeuw “revolutionair” heeft genoemd. Het is ook de sleutel voor het opnieuw doordenken van de geschiedenis van het Marxisme en haar verstrengeling met ideologieën gericht op de industrialisatie van de achtergebleven delen van de wereldeconomie.
Bordiga biedt duidelijk níet de sleutel tot de “de-Russificatie” van de “bril” waarmee de internationale revolutionaire beweging de wereld ziet. Maar mits verder ontwikkeld, biedt zijn focus op de agrarische kwestie die sleutel wél. Het “Russische vraagstuk” en haar implicaties waren midden jaren zeventig in zowel Europa als de V.S. het onvermijdelijke “paradigma” van linkse politieke perspectieven, maar slechts vijftien jaar later lijkt dit enorm lang geleden. Het was een politiek milieu waarin het minutieus bestuderen van de geschiedenis van maand tot maand van de Russische revolutie en de Comintern tussen 1917 en 1928 de sleutel leek te bevatten van het hele universum. Als iemand zei dat ze van mening waren dat de Russische revolutie verslagen werd in 1919, 1921, 1923, 1927, of 1936, of in 1953, dan kon je ook met redelijke precisie schatten wat ze dachten over ongeveer elke andere politieke vraag in de wereld: de aard van de Sovjetunie, van China, de aard van de CP’s van de wereld, de aard van de sociaaldemocratie, van vakbonden, het eenheidsfront, het Volksfront, nationale bevrijdingsbewegingen, esthetiek en filosofie, de relatie tussen partij en klasse, de relevantie van sovjets en arbeidersraden, en of Lenin danwel Boekharin gelijk had over het imperialisme.
Een opsomming van gebeurtenissen toont hoe groot de verandering is in hoe we de wereld zien; we hoeven slechts de realiteiten van de jaren tachtig op te halen, Thatcher’s Groot-Brittannië, Reagan’s Amerika, het Frankrijk van Mitterand, Gorbatsjov’s Rusland, Deng’s China, ofwel de “neoliberale” (in Von Hayek’s en Von Mises’ opvatting van de term) vloedgolf die het étatisme van de sociaaldemocratie, Stalinisme, Keynesianisme en Derde Wereld-Bonapartisme heeft weggevaagd. Een grondig begrip van de Russische revolutie van 1917 tot 1928 en het “wereldbeeld” dat eruit voortspruit lijken een armoedig hulpmiddel om de ontwikkeling van China na ’76 te begrijpen, of Rusland onder Gorbatsjov, de opkomst van de NIC’s [Newly Industrialising Countries – eerst met name duidend op de “Aziatische tijgers”, Hong Kong, Singapore, Zuid Korea en Taiwan. – vert.], de Chinees-Vietnamese oorlog, de instorting van de Westeuropese CP’s, de volmaakte inperking van de Britse Labourpartij, van de Democratische Partij in de V.S. en van de Duitse SPD door hun rechtervleugels, de draai van Mitterrand naar een neoliberaal beleid, of de opkomst van aanzienlijke “anti-statelijke” stromingen, zelfs in mercantilistische staten als Mexico of India. Nog toe te voegen zijn: een arbeidersbeweging in Polen met een sterke dosis kerkelijk nationalisme en de herleving van fundamentalisme in de Islam, het Jodendom en Christendom, deïndustrialisatie, high tech en gentrificatie. Geen van alle zijn het ontwikkelingen die een Marxistisch perspectief kunnen ontkrachten, maar wel ondermijnen ze de neiging van westers links, die tot in de jaren zeventig bestond, om de realiteit te zien door de bril van de Russische revolutie en haar lot.
Het beste van de heroïsche fases van de Duitse sociaaldemocratie en het Russische Bolsjewisme voldoet niet als wegwijzer voor deze nieuwe werkelijkheid, hoewel oppervlakkig gezien niemand uit het “derde kamp”  enige illusie had over de statelijke formaties die vanaf de jaren zeventig in neergang raakten [“Third camp” verwijst naar een stroming die tijdens de Koude Oorlog, naast de kapitalistische en socialistische kampen, de werkende klasse als het “derde kamp” opvatte – vert.]. Zelfs zo’n “derde kamper”, die Lenin’s Imperialisme en een reeks andere prognoses van de eerste drie Comintern-congressen omhelsde, deelde met de Stalinisten bepaalde onderliggende aannames, over het onvermogen van de kapitalistische wereldmarkt om enig deel van de derde wereld te ontwikkelen, en raakte even verward als gevolg van de opkomst van de NICs. [30] Het had ook zijn weerslag op een dieper niveau, rakend aan de kern van de revolutionaire identiteiten die ontleend waren aan de Tweede en Derde Internationale. Als je een kaart maakt van de militante communistische massapartijen of regimes die er tussen 1920 en 1975 in Europa bestonden, valt deze vrij nauwkeurig samen met een kaart van verlicht despotische staten tussen 1648 en 1789. Met name: Frankrijk, Duitsland, Rusland, Spanje, Portugal, Zweden (de belangrijkste Scandinavische communistische partij, en de enige die de Tweede Wereldoorlog als meer dan een sekte overleefde). Massa-CP’s ontbreken in Groot-Brittannië, de V.S., Nederland, Zwitserland (eveneens in de Angelsaksische “settler-states” zoals Australië, Nieuw Zeeland en Canada). De kennelijke uitzondering op de regel is de Italiaanse PCI. Maar Italië is zelf de voortbrenger van de prototypes van verlicht-absolutistisch staatsbestuur, in de vorm van de mercantilistische stadstaat, en regionaal lijken de machtsbases van de PCI te correleren met verschillende regionale ervaringen tijdens de historische fase van het ancien régime. Tenslotte was en is de PCI de meest “sociaaldemocratische” van de grote Westerse CP’s na 1956, wat ook de reden vormt dat ze het enige overlevende exemplaar is.
De relatie tussen het bestaan van een verlicht despotische staat in 1648 en een communistische massapartij of Stalinistische staat in 1945 is het agrarische vraagstuk. Deze staten, met Frankrijk als prototype, hadden als functie de kapitalisering van de landbouw te versnellen. Bewust of niet, deden ze met hun boerenbevolking iets als wat de Sovjetstaat vanaf 1928 en later met de Russische boeren deed, en wat liberale kapitalistische regimes in de 19e eeuw deden. De verlicht-absolutistische staten plunderden de boeren door middel van belasting, als bron van accumulatie. De betreffende methodes waren een reactie op de succesvolle civil societies die al tot stand gekomen waren in de “Calvinistische” landen, wier succes gebaseerd was op de eerder voltrokken kapitalisering van de landbouw, een proces dat zich als eerste in Engeland afspeelde. [31] Kapitalisme is eerst en vooral de agrarische revolutie. Voordat het mogelijk is om industrie, steden en een stedelijke arbeidersklasse tot stand te brengen, moet het surplus voortgebracht worden waarmee arbeidskracht, door een revolutionaire stijging van de agrarische productiviteit, van werk op het land vrijgemaakt wordt. Waar dit proces niet al tegen 1648 voltooid was (bij het eind van de Dertigjarige Oorlog en de godsdienstoorlogen), moest het voortgezet worden door staatsingrijpen van bovenaf. Zo werd de continentale mercantiele traditie in het leven geroepen die na de Franse Revolutie overleefde als een volwassener vorm van mercantilisme. Die vorm was kenmerkend voor Louis Napoleon’s Tweede Rijk (1852-1870) en Bismarck’s Pruisen en het door Pruisische invloed gedomineerde Duitsland. [32] Duitsland in het bijzonder diende na de Duitse vereniging in 1870 als hét model voor alle “late ontwikkelaars” ter wereld, en in de eerste plaats voor Rusland.
Hier komt het, nu in perspectief geplaatste, theoretisch kader van Barrington Moore weer in beeld: het decennium na 1860 was een fundamenteel kantelpunt. Het omvat de Amerikaanse burgeroorlog, de eenwording van Duitsland, de eenwording van Italië, de emancipatie van de Russische lijfeigenen en de Meiji-restoratie in Japan. Voor de volledigheid zijn toe te voegen: de industriële ontwikkeling van Frankrijk onder het Tweede Franse Keizerrijk en de totstandkoming van de Derde Franse Republiek, al zijn dit secundaire ontwikkelingen. Het lijkt zo te zijn, dat als een land niet al vóór 1870 “intern gereorganiseerd” was, het geen kans maakte om in het jaar 1914 deel te zijn van de kern van substantieel geïndustrialiseerde landen. Ten tweede, hadden vier van de vijf genoemde landen (Frankrijk opnieuw uitgezonderd) in 1933 totalitaire/autoritaire mercantiele staten. Van de grote machten wisten alleen de deelnemers aan de eerste Noord-Atlantische kapitalistische economie (Groot-Brittannië, Frankrijk, de VS) in de jaren 1930 te ontkomen aan autoritaire mercantiele oplossingen, en van de vijf die pas in de jaren 1860 hun reorganisatie ter hand namen, lukte dit alleen de Verenigde Staten. (Een belangrijke aanwijzing voor het centrale belang van de pre-industriële historische ervaring.) Waarom waren de jaren 1860 zo’n belangrijk kantelpunt? Het antwoord lijkt te zijn: de werelddepressie van 1873, en met name de landbouwdepressie. [33] Toen de V.S., Canada, Argentinië, Australië en Rusland als grote graanexporteurs op de wereldmarkt verschenen, zorgde dit in essentie voor dezelfde schikking als in 1648: de continentale staten werden in reactie op de agrarische depressie van 1873-1896 gedwongen tot protectionistische maatregelen om hun nationale landbouw te behouden. Het belangrijkste voorbeeld was Duitsland’s “IJzer en Rogge”-alliantie tussen industriëlen en Junkers in 1879, die de laatste hand legde aan de onderschikking van het Duitse kapitalisme en liberalisme aan de door Junkers gedomineerde Pruisisch-Duitse staat. Vergelijkbare scenario’s speelden zich af in Frankrijk, Spanje en Portugal, Italië, en in het Oostenrijks-Hongaarse rijk. Toen de V.S., Canada, Argentinië en Australië op de wereldmarkt voor agrarische goederen verschenen, trok dit een scherpe lijn langs de bestaande, geavanceerde kern van kapitalistische ontwikkeling, en deze lijn bleef bijna een eeuw ongeschonden. Tegen 1890 was het goedkoper om graan uit Buenos Aires naar Barcelona te verschepen dan het 100 mijl verder uit het binnenland te halen. De landbouwsectoren van de continentale mercantilistische staten werden daardoor op internationaal vlak onrendabel. De impact van deze toestand op de ontwikkeling van de arbeidersbeweging heeft niet de aandacht gekregen die hij verdient.
De revolutionaire traditie zag het socialisme/communisme in essentie voortspruiten uit de explosieve groei van de “Derde Stand” na de Franse Revolutie: in Babeuf, de Enragés en andere radicale elementen die opkwamen ter linkerzijde van de Jacobijnen; bovenal in de revolutie van 1848 in Frankrijk en de rest van Europa (inclusief de beweging van de Chartisten in Engeland die in 1848 haar piek doormaakte). De geschiedenis lijkt overtuigend: de lijn van 1793-1794 tot 1917-1921 loopt van Frankrijk naar Duitsland en Rusland, via de Franse revoluties van 1830, 1848 en de Parijse Commune; de opkomst van de SPD tot aan 1914; de Russische gebeurtenissen van 1905 en 1917; uitmondend in de mislukte revolutionaire golf van 1917-1921 met bijna-revolutionaire situaties in Duitsland, Italië, Engeland, Spanje, en opstandige stakingsbewegingen in vrijwel alle andere delen van de wereld. Deze laatste is de piek van de “klassieke arbeidersbeweging”. CLR James heeft gesproken in termen van de noodzaak om het historische moment van de instorting van het Duits-Russische front opnieuw tot stand te brengen; anders gezegd, dat het mislukken van de Duitse revolutie en de nederlaag van de wereldrevolutionaire golfbeweging ook haar finest hour was. Het beschreven traject vormt eveneens het historische kader voor de orthodoxie van Lenin en Trotski. Als de Duitse revolutie Rusland uit haar isolement had gered, had de hele 20e eeuw een volstrekt andere wending gekregen. Die geschiedsopvatting was zeker een bruikbare leerstelling om alle valkuilen van sociaaldemocratie, Stalinisme, Maoïsme en Derde Wereldideologie te vermijden. Binnen deze traditie te leven, danwel als Trotskist, ‘Third camper’ of ultralinkse, betekent de geschiedenis beoordelen vanuit het standpunt van de Duitse en Russische sovjets van 1917-1921. Dat is geen slecht ijkpunt voor het historische oordelen, en absoluut beter dan de Keynesiaanse verzorgingsstaat, het Stalinistische succes van het eerste Vijfjarenplan, of de arbeidsintensieve agrarische communes in China als notie van wat een socialistische maatschappij inhoudt. Maar apart daarvan leidt het ook tot een impasse. Het zorgt dat je de geschiedenis beziet als een strateeg voor de Comintern in 1920, die zijn taak opneemt waar de Centraal- en Oost-Europese revoluties tegen de Hohenzollerns, Habsburgs en Romanovs het loodje legden. Er gaapt een historische kloof tussen die revoluties, hun dubbele karakter, en onze tijd. [34] Het dubbele karakter van de Oktoberrevolutie was dat van een revolutie waarin de historische taken van de burgerlijke revolutie gerealiseerd werden onder aanvoering van de werkende klasse, en waar het revolutionaire proletarische karakter daarna volkomen uitgewist werd door de Stalinistische contrarevolutie. Om de lijn van “continuïteit” onkritisch door Lenin en Trotski te trekken, als verlengstukken van Marx in de vroege twintigste eeuw, en daarmee de Russische Revolutie tot maatstaf te maken van de hele twintigste eeuw (“het historische keerpunt waar de geschiedenis weigerde te keren”, zoals iemand het uitdrukte) staat gelijk aan het omhelzen van een hele geschiedsopvatting, voor én na 1917. Bovenal wordt ermee een mythologie omhelsd over de Duitse sociaaldemocratie als een revolutionaire formatie, voorafgaand aan een bepaalde datum, of het nu 1890, 1898 of 1914 is, waarop die partij uiteindelijk overmand werd door “revisionisme”. Als er één mythe fundamenteel is voor de zienswijze samengevat in de frase “het beste van de Duitse sociaaldemocratie en het Russische bolsjewisme” en die nu problematisch is geworden, dan is het deze rooskleurige visie van de vroege SPD. Het is onder invloed van deze zienswijze dat internationaal links overwoekerd werd door opvattingen van Aufklärung die hun wortels hadden in de ambtenarenstand van verlicht-despotische staten.
Deze impasse is op een aantal niveaus te zien. Laten we beginnen met het “vulgaire”, non-Marxistische materialisme dat dagelijkse kost was voor de klassieke arbeidersbeweging, die aanvankelijk haar middelpunt had in de SPD, later in de Bolsjewistische partij, en voor de Tweede, Derde en Vierde Internationales.
Zoals veel mensen zich hebben afgevraagd na ontdekking van de Manuscripten van 1844, de Grundrisse, de Hegeliaanse vingerafdrukken in Het Kapitaal, de “Stellingen over Feuerbach”, het werk van Lukács, Korsch, etc.: hoe was het mogelijk dat de klassieke arbeidersbeweging overwoekerd werd door “vulgair Marxisme”? Waarom vertoont het pre-Kantiaanse materialisme (d.w.z. materialisme dat, anders dan dat van Marx, niet gevormd is door een dialoog met het Duitse idealisme en Feuerbach) zoveel gelijkenis met het 18e eeuwse materialisme van de Frans-Engelse verlichting, anders gezegd, met de ideologie van de burgerlijke revolutie? Hoe komen we tot een Marxistische verklaring van de historische hegemonie van het vulgaire Marxisme, aangezien het Marxisme zelf gekant is tegen psychologisch/morele oordelen gebaseerd op het idee dat “ze de verkeerde ideeën hadden”? Het antwoord lijkt niet zo moeilijk: als het materialisme van de klassieke arbeidersbeweging die samenkwam in de SPD van 1860 tot 1914, en in het verlengde ervan de Russische Revolutie, kennistheoretisch weinig verschilde van het revolutionaire burgerlijke materialisme, dan moet het wel zijn omdat de klassieke arbeidersbeweging in Centraal en Oost-Europa een verlengstuk was van de burgerlijke revolutie. Ons verplaatsend in de positie van de bewonderaars van de heroïsche vroege SPD, is het moeilijk een andere overtuigende verklaring te vinden. Dit is tenslotte niet zo ver verwijderd van Trotski’s theorie van gecombineerde en ongelijkmatige ontwikkeling: waar de burgerij zwak is en niet in staat de strijd met het ancien régime aan te binden, valt die taak toe aan de werkende klasse. (Het was Trotski’s vergissing om te geloven dat de werkende klasse daadwerkelijk bezig was de socialistische revolutie te maken.) Dit “vulgaire Marxisme” leverde het “wereldbeeld”, uitgedrukt in de populaire brochures van de late Engels, in het werk van Bebel, Kautsky, Wilhelm Liebknecht, de pre-revisionistische Bernstein, en Plechanov – de éminences grises van de Tweede Internationale, die de leraren waren voor Lenin en de Bolsjewieken. We moeten niet vergeten dat Lenin pas rond 1910-12 begon Kautsky en het “centrum” van de SPD-orthodoxie te doorzien, en dat hij het in 1914 niet kon geloven toen in de kranten stond dat de SPD voor de oorlogskredieten had gestemd. Zo dicht stond hij bij dezelfde invloeden. Hij schreef “Imperialisme” om de knieval van de SPD te verklaren; Trotski voegde later “de afwezigheid van een revolutionair leiderschap” toe aan de verklaring voor de nederlaag in West-Europa na de oorlog. Het verhaal van Raya Dunayevskaya, die in haar portret van Lenin beschreef hoe hij in september 1914 naar de bibliotheek van Zürich snelde om Hegel’s Logica door te spitten op zoek naar een verklaring voor het SPD-debacle [35], is mogelijk apocrief; desondanks had de “late Lenin” geen merkbare impact op het officiële Marxisme van na 1917, inclusief de Vierde Internationale. De filosofische opvattingen van Lukács en Korsch werden in 1923 bulderend de Comintern uit gelachen. In de intellectueel uitgeslapener delen van Amerikaans links midden jaren zestig (voorafgaand aan de golf vertalingen uit het Frans, Duits en Italiaans na 1968), was de meest geraffineerde Engelstalige tekst over de filosofische achtergrond van het Marxisme waarschijnlijk Sidney Hook’s “Towards an understanding of Karl Marx”. Dit was verder uiteraard aan niemand te wijten; het weerspiegelt enkel het feit dat de impact van de ontdekking van het vroege werk van Marx, de ware omvang van diens schatplichtigheid aan Hegel, de kritiek van het vulgaire materialisme in de “Stellingen over Feuerbach”, en van bijvoorbeeld de Grundrisse niet verder ging dan kleine kringen van deskundigen in de jaren vijftig en zestig. Maar er moet ook een historische reden voor zijn; het was niet alleen een kwestie van wat waar en wanneer gepubliceerd werd (de Grundrisse, bijvoorbeeld, verscheen in 1941 voor het eerst in Moskou met een oplage van slechts 200).
De oplossing voor dit ideologische anachronisme in de Marxistische en werkende-klasse-geschiedenis kan duidelijk niet zijn, zoals we hierboven al stelden, dat “ze de verkeerde ideëen hadden”. Het antwoord moet liggen op een dieper niveau van de geschiedenis van de accumulatie en hoe die internationaal vormgaf aan klassenstrijd. Opnieuw was het de Bordigistische traditie die perspectieven blootlegde die weliswaar van marginaal belang bleven voor de debatten van de jaren zestig en zeventig, maar die volgens mij wel de verbinding leggen tussen de agrarische kwestie, de periodisering van kapitalistische accumulatie, de werkelijke historische rol van de sociaaldemocratie en het Bolsjewisme, en de historische verbinding tussen het verlicht absolutisme in de 17e eeuw en de communistische massapartijen in de 20e eeuw.
Het meest interessante perspectief dat ontwikkeld werd om deze vragen te verhelderen, was dat van de “neo-Bordigisten”, Franse stromingen beïnvloed door, maar niet slaafs volgend aan Bordiga; de besten onder hen deden een poging tot synthese tussen enerzijds Bordiga, die blind was voor de historische betekenis van sovjets, arbeidersraden en arbeidersdemocratie, en al het gewicht op de partij legde, en anderszijds de Duits-Nederlandse linkse stroming, die arbeidersraden verheerlijkte en alles dat na 1917 misging op het conto schreef van “Leninisme”.
Al deze Franse stromingen plaatsen een tekst van Marx centraal die, op de langere termijn, mogelijk belangrijker zal blijken dan al het nieuwe materiaal dat in de jaren vijftig en zestig opdook: het zogenoemde “ongepubliceerde zesde hoofdstuk” van Deel I van Het Kapitaal. [36] Het is niet bekend waarom Marx het wegliet uit de oorspronkelijke uitgave van Deel I. Maar het is een ware materialistische “Fenomenologie van de Geest”. Tien pagina’s ervan zijn genoeg om de bewering van Althusser te ontkrachten die stelt dat Marx in zijn “latere periode” Hegel vergeten was. De bevestiging van de continuïteit met Hegel’s methode is nog het minste; de fundamentele categorieën die in de tekst uitgewerkt worden, zijn het onderscheid tussen absolute en relatieve meerwaarde en wat Marx aanduidt als de “extensieve” en “intensieve” fases van accumulatie, die samenvallen met de “formele” en “reële” onderschikking van arbeid onder kapitaal. Deze worden op een erg theoretische manier geïntroduceerd; Marx doet geen poging om ze op de geschiedenis toe te passen. De Franse ultralinkse stroming heeft daarentegen een poging ondernomen om de geschiedenis van kapitalisme volgens dit onderscheid te periodiseren. Begrippen van “extensieve” en “intensieve” fases van de kapitalistische ontwikkeling zijn niet uniek voor Marxisten; er zijn ook burgerlijke economische historici die ze als beschrijvend gereedschap gebruiken. Eén stroming vatte de overgang samen als “de fase die de arbeider van zijn substantie ontdoet, zodat alleen de proletariër overblijft”. [37] In een enkele zin wordt de hele Gutman-school van new labour history afgeserveerd. De overgang naar “intensieve” accumulatie wordt in Marx’ zesde hoofdstuk gepresenteerd als de “reductie van arbeid tot de meest algemene kapitalistische vorm van abstracte arbeid”, een beknopte samenvatting van de massaproductie-arbeidsprocessen die kenmerkend zijn voor de twintigste eeuw in de geavanceerde kapitalistische wereld. De zogenaamde new labour history is een en al nostalgie naar de eerdere fase van de formele overheersing.
Het “ongepubliceerde zesde hoofdstuk” werpt ook licht op de “Hegel-renaissance” in het Marxisme, en op de vraag waarom serieuze aandacht voor de Hegeliaanse achtergrond van Marx pas in het Duitsland van de jaren 1920 opdook (Lukács, Korsch, de Frankfurter School) en in Frankrijk pas vaste voet aan de grond kreeg in de jaren vijftig. In feite was in Frankrijk het vulgaire Marxisme – onder de intelligentsia – pas in de decennia 1930-1940 een modieuze ideologie geworden, ofwel tijdens de periode van het Volksfront en het Verzet. Wat kon dit 30-jaar grote gat tussen Frankrijk en Duitsland verklaren? Het antwoord dat voor de hand ligt moet de grote voorsprong in industriële ontwikkeling zijn die Duitsland in de jaren twintig had, een niveau dat Frankrijk rond de jaren vijftig ongeveer ingelopen had. Er lijkt een verbinding te bestaan tussen “gehegelianiseerd” Marxisme en de omstandigheden van wat we “intensieve accumulatie” en “reële overheersing” noemen. Het is ook eigenaardig dat Italië een geraffineerde, veel meer “Duitse” Marxistische cultuur had, ruimschoots voordat daarvan in Frankrijk sprake was. Dit moet op een bepaalde manier ook te maken hebben met de status van Italië als politieke “laatkomer”, in tegenstelling tot Frankrijk, dat participeerde in de eerste Noordatlantische kapitalistische economie en de burgerlijk-revolutionaire golf van 1770-1815. De Jacobijnse traditie in Frankrijk, uitgedrukt in het rationalisme van Comte, Saint-Simon, en Guesde, het Kantiaanse idealisme van Jaurès, of het rationalisme van zelfs de anarchistische traditie (met zijn geloof in anticlericale wetenschap) of tenslotte het “laïcistische en republikeinse positivisme” van de Derde Republiek bleven elk onder het niveau van het post-Kantiaanse Duitse denken; Italië raakte in de loop van de jaren 1890 “verduitst”; Frankrijk pas tussen 1930 en 1940.
De traditie Lenin-Trotski deelt de geschiedenis op in twee fases, gescheiden door de Eerste Wereldoorlog waarmee het “tijdperk van imperialistisch verval” ingeluid werd. De theoretische bronnen voor dit standpunt komen voort uit de discussie over het “monopoliekapitaal” die al voor de Eerste Wereldoorlog gevoerd werd: Hobson, Hilferding, Lenin. Deze stelling werd door Lenin’s pamflet Imperialisme tijdelijk gepopulariseerd. In de glorietijd van de Tweede Internationale zag het kapitalisme er anders uit dan hoe het door Marx beschreven werd (het is belangrijk te onthouden dat Deel II en III van Het Kapitaal pas in de jaren 1880 en 1890 verschenen; de relatie van de meeste socialisten tot “de economie van Marx” ging om Deel I en realistisch gesproken om populaire brochures als “Loon, prijs en winst”). Het kapitalisme scheen zelf al weg te bewegen van een “competitieve” of “laissez-faire”-fase naar één van kartels, monopolies, imperialisme, staatsgeleiding, het ontstaan van financierskapitaal, wapenwedlopen en koloniale land grabs: allemaal elementen die Hilferding in 1910 aanduidde met de term “georganiseerd kapitalisme”. De Eerste Wereldoorlog markeerde het kantelpunt. De Russische Revolutie liet zien dat in Lenin’s woorden “achter elke staking de proletarische revolutie schuilgaat”, en de periode van 1917-1921 leek dit welhaast te bevestigen. Toen volgden er, na een vluchtige stabilisering: 1929, een werelddepressie, fascisme, Stalinisme en de Tweede Wereldoorlog, waarop weer een hele reeks oorlogen van nationale bevrijding volgde. Wie had in 1950 durven ontkennen dat dit het “tijdperk van het imperialistische verval” was? Zulke heel concrete fenomenen dienden als cement voor een compleet wereldbeeld, dat zijn aanvankelijke vorm kreeg in de vroege jaren van de Comintern: de continuïteit met het Kautskiaanse vulgaire Marxisme van de periode voor 1914, de karakterisering van de periode met de term “monopoliekapitaal”, het vaardigst uitgedrukt door Boekharin, Trotski’s theorieën over permanente revolutie en gecombineerde, ongelijkmatige ontwikkeling, en de karakterisering van het tijdperk door de Comintern-congressen als een tijdperk van “imperialistisch verval”. Dit was althans de gecondenseerde uitdrukking van dat erfgoed zoals het in de beste pogingen van de late jaren zestig en vroege jaren zeventig opgevat werd om de verbinding te leggen met het revolutionaire potentieel van de Duits-Pools-Russische corridor van 1905 en 1917-1921. Deze periodisering van de moderne geschiedenis maakte het mogelijk om de wereld te zien “vanuit Moskou in 1920”, met het effect dat het ontleden van de geschiedenis van de Russische Revolutie en de Comintern tussen 1917 tot 1928 centraal stond en zo vol van implicaties leek. In die geschiedenis lag de steen der wijzen, of je nu Trotskist was, Schachtman-aanhanger, of ultralinks. Dit was het gezichtspunt van degenen die midden jaren zeventig geen illusies hadden over de sociaaldemocratie, het Stalinisme of het Bonapartisme van de Derde Wereldstaten, ofwel van degenen die daartegenover stonden op het standpunt van een revolutionaire arbeidersdemocratie van het sovjets/arbeidersradentype. Op een bepaalde manier leek dit een perfect samenhangende verklaring van de wereld, en tot midden jaren zeventig was dat het geval. Had de hoogste uitdrukking van de revolutionaire arbeidersbeweging niet plaatsgevonden in Duitsland en Rusland? Was niet alles sindsdien een catastrofe en een bureaucratische nachtmerrie? Bordiga anticipeerde op deze houding, toen hij ergens in de jaren vijftig schreef dat “enkel omdat de maatschappelijke ontwikkeling in één gebied (waarmee hij Europa en de V.S. bedoelde) de op-een-na-laatste fase bereikt heeft, betekent niet dat wat er in de rest van de wereld gebeurt van geen belang meer is”. Voor dit wereldbeeld (dat destijds ook door schrijver dezes gedeeld werd) was namelijk wat op de rest van de planeet gebeurde, sociaal gesproken inderdaad van geen belang. Wie zou serieus China, Noord-Korea of Albanië, of de nationale bevrijdingsbewegingen en hun staten, als model willen stellen voor Amerikaanse of Europese arbeiders? Maar zo’n opvatting, hoewel strikt genomen juist, was toch niet adequaat.
WAAROM NIET?
Omdat het twee ontwikkelingen negeerde, die halverwege de jaren zeventig al vergevorderd waren: de dubbele beweging van industrialisering van de Derde Wereld en technologie-intensieve (“high tech”) ontwikkeling in de geavanceerde sectoren, die op het punt stonden hun effect te doen voelen in de beweging van de westerse werkende klasse, waarop het hele eerdergenoemde perspectief rustte. In 1970, temidden van de Stalinistische, Maoïstische en Derde Wereldbeweging-euforie ten aanzien van boeren-bureaucratische revoluties, was het terecht en revolutionair om de westerse werkende klasse te zien als enige klasse die daadwerkelijk een einde kon maken aan de klassenmaatschappij. Het was destijds nodig om de Derde Wereld-ideologie af te wijzen, zoals het nog steeds nodig blijft om de nu ernstig verzwakte overblijfselen ervan te verwerpen. Maar wat er sindsdien veranderd is, is uiteraard dat deïndustrialisatie in het Westen en industrialisatie in de Derde Wereld (twee kanten van dezelfde medaille) reële arbeidersbewegingen in de Derde Wereld in het leven heeft geroepen, met Zuid-Korea als meest recente voorbeeld. Tot voorbij het midden van de jaren zeventig zag de wereld er min of meer uit zoals geëxtrapoleerd kon worden van het vroege, heroïsche Comintern-perspectief dat hierboven geschetst is. De landen die in 1914 de kern van de wereldindustrie uitmaakten (West-Europa, de V.S. en Japan), waren nog steeds de kern. In termen van de voorgaande bespreking: als een land niet voor 1860 “intern gereorganiseerd” was, kon het geen deel uitmaken van de “industriële club” in 1914 en óók nog niet rond 1975. Daar komt bij dat het percentage arbeiders dat werkzaam was in de industriële productie in de geavanceerde industriële landen – een percentage dat in Duitsland en Engeland omstreeks 1900-1914 zijn piek bereikt had met ca. 45% – begin jaren zeventig nog steeds vlak bij datzelfde aantal lag, als gekeken wordt naar de geavanceerde kapitalistische zone als geheel. De geavanceerde kapitalistische wereld ging van een (heel grove) verdeling van de arbeidsbevolking in 1900-1914 van 45% in de industrie, 45% in de landbouw, 10% in de witte-boorden/dienstensector, naar 40-45% in de industrie, 5-10% in de landbouw, en 40-45% in de witte-boorden/dienstensector (nog los van de totstandkoming van een grote wapensector die rond de eeuwwisseling nog maar amper het licht gezien had). Wat betekende dit? Het betekende dat het “verhaal” van kapitalistische ontwikkeling als volgt was. Tussen 1815-1914, in de fase van het “klassieke” of “concurrentiekapitalisme”, had het systeem met name gewerkt om boeren om te vormen tot arbeiders, in ieder geval in Engeland, de V.S., Frankrijk en Duitsland. In de periode ná 1914 (die in werkelijkheid al in ca. 1890 begon) ging de nieuwe fase van “georganiseerd” kapitalisme, “monopoliekapitalisme”, het “tijdperk van imperialistisch verval” verder met het leegtrekken van de plattelandsbevolkingen van de westerse wereld (evenals van Latijns Amerika, het Caraïbisch gebied, Zuid-Europa en Afrika), maar om wat te bewerkstelligen? In plaats van een toename van de industriële werkende bevolking, werd de sterk toegenomen productiviteit van een stagnerend percentage van alle arbeiders ingezet om een immer groeiende witte boorden/dienstensector (en een wapenproductiesector) te realiseren. Om terug te keren tot het kernthema, begonnen de communistische partijen precies af te kalven, overvleugeld te raken of geïntegreerd te worden in partijen van een sociaaldemocratisch type, op het moment dat de landbouwbevolking van het betreffende land aanbeland was op een triviaal deel (5-10%) van de werkende bevolking. Dit vond bijvoorbeeld in Frankrijk en Spanje in de loop van de laatste vijftien jaar plaats [circa van 1975 tot 1990 – vert.].
Hetzelfde proces heeft zich in Portugal niet voltrokken, uitgerekend omdat in dat land een landbouwsector van kleine producenten nog steeds een significant deel van de werkende bevolking uitmaakt. Wél is het de achtergrond voor de transformatie van de PCI, en iets dat al lang geleden heeft plaatsgevonden in Noord-Europa en de Verenigde Staten. Ten slotte is het ook de parallel voor de problemen die Oost-Europa en de Sovjetunie ondervonden toen de “extensieve” fase van accumulatie was voltooid en de tijd aanbrak om over te gaan tot de intensieve fase waar het Westen al aan toe was in de crisis van 1914-1915. Kortom, van verlicht absolutisme in de zeventiende eeuw tot communistische partijen in de twintigste eeuw, is de eigenlijke problematiek die van de extensieve fase van accumulatie – de transformatie van boeren in arbeiders. De ultieme consequentie hiervan is dat een maatschappij pas volledig kapitalistisch is wanneer er nog maar een triviaal deel van de werkende bevolking werkzaam is in de landbouw, ofwel een maatschappij is pas volkomen kapitalistisch is als deze is overgegaan van de extensieve/formele naar de intensieve/reële fase van accumulatie. Dit betekent kort gezegd dat in 1900 noch Europa noch de Verenigde Staten al zo kapitalistisch waren als in de socialistische beweging destijds gedacht werd, en dat de klassieke arbeidersbeweging, in zijn hoofdstroom, voornamelijk een beweging was om het kapitalisme voort te stuwen en in zijn intensieve fase te brengen.
Samengevat: kapitalisme betekent eerst en vooral de agrarische revolutie.
In de geschiedenis van internationaal links heeft de agrarische kwestie een reeks verschillende betekenissen gehad. Ze trad voor het voetlicht in relatie tot de boerenrevoluties die met de Franse en Russische revoluties gepaard gingen; de kapitalisering van de landbouw in het zuiden van de V.S. tot aan de Burgeroorlog; de agrarische depressie na 1873; het leeglopen van het Europese platteland na de Tweede Wereldoorlog. Ongetwijfeld zijn dit sterk verschillende fenomenen die niet onverschillig op een hoop gegooid moeten worden. Maar laten we ons richten op de intensieve accumulatie die verband houdt met de reductie van de agrarische werkende bevolking tot 5-10% van het totaal, waaronder we een “volledig kapitalistische” maatschappij verstaan. Een volledig kapitalistische landbouw is een naar Amerikaanse stijl gemechaniseerde landbouw. De “agrarische kwestie” werd in deze zin in Frankrijk niet opgelost in het jaar 1789 maar pas tussen 1945 en 1973. De verbinding die bestaat tussen de landbouw en intensieve accumulatie in de industrie is het terugdringen van de kosten van voedsel als percentage van de consumptiegoederen van arbeiders, waardoor de koopkracht ontstaat voor duurzame consumptiegoederen, zoals auto’s, die centraal staan in de massaproductie van de twintigste eeuw.
Laat ons het voorgaande samenvatten, en nog eens terugkeren bij Bordiga en de neo-Bordigisten. Het vulgaire Marxisme was een ideologie van de Centraal-Europese en Oost-Europese intelligentsia, verbonden met de arbeidersbeweging in een slag om de burgerlijke revolutie te voltooien (Tweede en Derde Internationale-Marxisme). De parallel ervan met pre-Kantiaans, pre-1789 burgerlijk materialisme is niet het resultaat van een “fout” (“ze hadden de verkeerde ideeën”) maar een precieze uitdrukking van de werkelijke inhoud van de beweging die het voortbracht. Die inhoud wordt uiteindelijk begrijpelijk in het kader van een periodisering van kapitalistische geschiedenis, als aanvulling op Lenin en Trotski’s “tijdperk van imperialistisch verval” met de begrippen van extensieve/formele overheersing en intensieve/reële accumulatie. De hele Lenin/Hilferding/Tweede Internationale-theorie van “georganiseerd kapitalisme” en “monopoliekapitalisme” is dan een versluierde manier om de overgang van extensief naar intensief te benoemen. De “officieël Marxistische” zienswijze, is daarom de zienswijze van een staatselite in wording, of zij nu aan de macht is of niet, en van een beweging die uitmondt in een nieuwe vorm van kapitalisme (reële overheersing) die het zelf “socialisme” noemt. Deze analyse is overtuigend omdat ze moraliseren onnodig maakt en een “sociologische” verklaring biedt voor een “epistemologie”. Dat dit sociale stratum een Aufklärungs-type van materialisme voorstond, was precies omdat zij een proto-statelijke ambtenarenstand was in een ontwikkelingsregime, en dat haar opvatting van economie, opgeschreven in de Leninistische theorie van het imperialisme, ook de economie was van ditzelfde stratum. Het is geen werkelijk Marxisme, omdat het ertoe neigt de analyse van productieverhoudingen en productiekrachten te vervangen door (uiteindelijk Dühringiaanse) analyses van “geweld” [“force” – vert.]. Van Lenin en Boekharin via Baran en Sweezy tot Bettelheim en Amin tot Pol Pot (met erkenning van enorme discontinuïteit en degeneratie, maar ook zichtbare continuïteit) is de theorie van “monopoliekapitaal” – een theorie van de statelijke civil service. Ze is fundamenteel anti-werkende-klasse van aard: ze beschouwt het reformisme van de westerse werkende klasse als een uitdrukking van imperialistische superwinsten, en in de landen waar ze macht uitoefent, verhult ze de contrasterende belangen van de statelijke bureaucratische elite, de boeren- en werkende klassen.
De Franse neo-Bordigisten, met name Camatte, lieten zien dat vooral in Rusland het Marxisme gefaseerd omgevormd werd van een theorie van de “materiële menselijke gemeenschap”, van een werkelijke beweging die “geboren wordt” uit een volwassen kapitalisme, tot iets dat “gebouwd” wordt in de omstandigheden van een achtergebleven proto-kapitalisme. Dit is te zien in het contrast tussen het “Marxistische standpunt” over het Russische vraagstuk, zoals Marx ontwikkelde in 1878-1883, en de polemiek van de Bolsjewieken met de laatste fase van de Populistische beweging in de jaren 1890. Wat Marx ook voor mogelijkheden zag tijdens het bestuderen van de Russische boerengemeenschap als basis voor een directe “sprong” naar een communisme, nooit zou hij hebben geschreven wat Trotski in 1936 schreef, dat “het socialisme tegenover het kapitalisme staat in tonnen staal en beton”. Dit wil niet zeggen dat er in het werk van Marx geen basis is voor een productivistisch vertoog, slechts dat hetgeen Marx scheidt van elk Marxisme van de Tweede, Derde en Vierde internationale, precies is dat hij al voorbij het “pre-Kantiaanse” materialisme is, en ver voorbij de economische wetenschap die opgesomd wordt in de term “monopoliekapitaal” en die de uitdrukking is van een ambtenarenperspectief op de wereld. In de strijd tussen Lenin en de Populisten in de jaren 1890, een slag om dit afgeknotte Marxisme in Rusland te introduceren, was de hele dimensie van de Marxistische analyse van “het Russische vraagstuk” voorafgaand aan 1883, die Bordiga boven tafel bracht, al verloren gegaan in het zingen van een productivistisch koor. De lineaire, mechanistische opvatting van “vooruitgang” – de kern van het historische Verlichtingsdenken, die in het vulgaire Marxisme de vorm aanneemt van de “stadia” van historische ontwikkeling – heeft geen notie van het belang van de Russische agrarische commune zoals Marx die had. Het communistische telos van het Gemeinwesen (de materiële menselijke gemeenschap) wordt door een productivistische benadering volkomen verduisterd. Eenmaal aan de macht, namen de Bolsjewieken het reproductieschema en de categorieën van Deel I van Het Kapitaal, en vertaalden deze tot handleidingen voor economische planning, zonder te beseffen dat het een “Ricardiaanse” beschrijving betrof die door Marx zelf in Deel III ondermijnd werd. Dit diende als het begrippenapparaat voor de “staalvreters”-ideologie van de Stalinistische planners na 1928. [38] Er is een wereld van verschil tussen Marx en de Tweede Internationale, en later de Bolsjewieken, zowel in “filosofie” als in “economie”; deze verschillen zijn de uitdrukking van verschillende “sociale epistemologieën”, gegrond in de verschillende zienswijzen van twee verschillende klassen, de werkende klasse en de statelijke ambtenarij. Op die manier is het zinnig om te constateren dat het beste van de Duitse sociaaldemocratie en het Russische Bolsjewisme hopeloos verstrengeld is met de staat. Een hernieuwd revolutionair perspectief kan geen van beide nog als directe voorlopers aanwijzen, maar slechts als een omleiding waardoor het Marxisme verstrengeld raakte met een statelijk vertoog dat er vreemd aan is.
Anders dan de revolutionairen van 1910, leven we vandaag de dag in het Westen in een volkomen kapitalistische wereld. Er is geen kapitalisering van de landbouw meer te voltrekken, er bestaat voor de werkende klasse geen boerenvraagstuk meer. Terwijl we een wereldeconomische crisis doormaken die even ernstig is als die in 1930, zijn alle eerdere revolutionaire visies verdampt en positieve beelden van een wereld voorbij het kapitalisme troebeler dan ooit. (De recente geschiedenis biedt echter genoeg voorbeelden in negatieve zin.) Toch, als we inzien dat veel van wat vandaag instort uiteindelijk het erfgoed is van de verlicht absolutistische staat en haar moderne aanbouwsels, kunnen we ook zien dat veel van het conceptuele gereedschap diende ter voltooiing van de burgerlijke revolutie en voortgebracht werd door bewegingen die uiteindelijk geleid werden door een ambtenarij, in potentie of in werkelijkheid. Door het marxisme vrij te maken van dit statelijke erfgoed kunnen we eindelijk beginnen om de wereld te begrijpen vanuit het standpunt van de “werkelijke beweging die zich voor onze ogen voltrekt” (Communistisch Manifest).
Bibliografie
Eén van de doelstellingen van dit artikel was de persoon en ideeën van Bordiga beter bekend te maken in de Engelssprekende wereld.
Helaas zijn veel bronnen waarvan dit artikel gebruik maakt alleen in het Italiaans of Frans gepubliceerd, veelal door obscure linkse uitgeverijen die inmiddels niet meer bestaan. Ze zijn dus, anders dan de teksten van Bordiga zelf, vrijwel onmogelijk te verkrijgen. Lezers die de wel beschikbare teksten van Bordiga in verschillende talen willen verkrijgen, kunnen contact opnemen met de Partito Comunista Internazionale, Via Mazzini 30, Schio, Italië. [Inmiddels zijn veel teksten van Bordiga online te vinden, bijv. op http://www.sinistra.net/lib/bor/bordiga.html en in het Engels o.a. op http://libcom.org/tags/amadeo-bordiga. Ook de teksten van Jacques Camatte, Dauvé etc. zijn online te vinden. – vert.]
De belangrijkere teksten van Bordiga zijn de volgende. Strutture economica e sociale della Russia d’oggi (Edizioni il programma comunista, 1976) is zijn grote werk over de Russische economie. Een groot deel ervan is in het Frans gepubliceerd onder de titel Russie et Révolution dans la theorie Marxiste (Ed. Spartacus, 1975). Storia della sinistra comunista (Ed. il programma comunista), de geschiedenis van Bordiga’s factie van 1912 tot 1921, verscheen vanaf 1964 in drie opeenvolgende delen. Kortere maar fundamentele theoretische stellingen zijn Proprietà e capitale (Ed. Iskra, Florence, 1980) en Mai la merce sfamera l’uomo: la questione agraria e la teoria della rendita fondiaria secondo Marx (Ed. Iskra, 1979). Een Franse verzameling van enkele kortere teksten van Bordiga, inclusief zijn commentaar op Marx’ Economisch-filosofische manuscripten van 1844, zijn uitgegeven en van een inleiding voorzien door Jacques Camatte in Bordiga et la passion du communisme (Ed. Spartacus, 1974).
Er is, voor zover ik weet, geen adequate en omvattende studie van Bordiga voorhanden. Twee biografieën waarin de ernstigste fouten en verdachtmakingen ontbreken, zijn A. de Clementi, Bordiga (Turijn, 1971) en een biografie door een PCI-intellectueel, Franco Livorsi, Amadeo Bordiga (Rome, 1976). Een presentatie van Bordiga’s standpunten over het Sovjetfenomeen is Lilliana Grilli, Amadeo Bordiga: capitalismo sovietico e comunismo (Milaan, 1982). De beste algemene presentatie van Bordiga en zijn theorieën zoals ze van invloed zijn op dit artikel staan in Jacques Camatte, Bordiga et la révolution russe: Russie et necessité du communisme in het tijdschrift Invariance, Annee VII, Serie II, No. 4. Een kritische waardering van de Bordigistische factie is La Gauche Communiste d’Italie, gepubliceerd in 1981 door de Courant Communiste International. Een “Bordigistische” visie op de Russische revolutie en haar nasleep is te vinden in een driedubbelnummer van Programme comuniste, Bilan d’une révolution (No. 40-41-42, oktober 1967-juni 1968), in het toenmalige theoretische tijdschrift van een van de nog actieve Bordigistische partijen. Ik heb niet kunnen vaststellen of de standpunten die in dit nummer worden gearticuleerd, ook door Amadeo Bordiga zelf geschreven of goedgekeurd zijn.
Twee andere relevante werken die kritisch gebruik maken van Bordiga zijn Jean Barrot, Le mouvement communiste (Ed.Champ Libre, Parijs, 1972), en Jacques Camatte, Capital et Gemeinwesen: Le 6e chapitre inédit et l’oeuvre economique de Marx (Ed. Spartacus, Parijs 1978).
Veel informatie over Bordiga in de periode waarin hij de meeste invloed had, staat in de quasi-officiële geschiedenis van de Italiaanse Communistische Partij door Paolo Spriano, Storia del Partito Comunista Italiano, Vol. I Da Bordiga a Gramsci (Turijn 1967). Dit werk vraagt evenals dat van Livorsi om enig voorbehoud.
Noten
[1] – B. Moore, Social Origins of Democracy and Dictatorship, (Boston 1966).
[2] – A. Ulan, The Unfinished Revolution, (New York, 1960).
[3] – A. Gerschenkron, Economic Backwardness in Historical Perspective, (Boston, 1962).
[4] – E. Preobrazhenski, The New Economics, Oxford 1965, h. II.
[5] – Zie ook de bovenstaande bibliografie.
[6] – Ibid.
[7] – De “volwassen” opvatting over de link tussen de agrarische kwestie en kapitalisme is te vinden in A. Bordiga, Mai la merce…, 1979.
[8] – Zie ook Bilan d’une révolution, Programme communiste, nummer 40-41-42, oktober 1967-juni 1968, ook genoemd in de bibliografische noten.
[9] – De evolutie van Bordiga’s voorspelling van een grote wereldcrisis in 1975 wordt gepresenteerd in F. Livorsi, op. cit., p. 426-444.
[10] – Voor een gedistilleerde bespreking van Boekharin’s kritiek van Preobrazhenski, zie Bilan d’une révolution, pp. 139-140. Tegen de linkse super-industrialiseerders zei Boekharin dat de werkende klasse “gedwongen [zou zijn] een kolossaal bestuurlijk apparaat te bouwen … De poging om alle kleine producenten en kleine boeren te vervangen door bureaucraten brengt een apparaat voort dat zo kolossaal is dat de kosten om het in stand te houden onvergelijkelijk veel groter zijn dan de onproductieve besteding die resulteert uit de anarchistische omstandigheden van kleine warenproductie: in summa, het hele economische apparaat van de proletarische staat faciliteert niet alleen, maar hindert feitelijk de ontwikkeling van de productiekrachten. Het leidt direct tot het tegendeel van wat het moet bewerkstelligen.” (ibid.)
[11] – Het “Boekharinistische” aspect van Trotski’s inschatting van de Stalinistische draai naar “links” na 1928 wordt opgemerkt in Bilan d’une révolution, op. cit. p. 148.
[12] – Deze interventie vond plaats tijdens het Plenum van het Zesde Uitgebreide Uitvoerende Comité van de Comintern in 1926. Ibid, p. 38.
[13] – Over het kapitalistische karakter van de kolchoz, zie Bilan d’une révolution, pp. 172-179.
[14] – Bordiga’s notie van de “dubbele revolutie” is verspreid door zijn werk te vinden. Zie bijvoorbeeld A. Bordiga, Russie et révolution…, p. 192 en verder.
[15] – V.I. Lenin, The Tax in Kind (The Significance of the New Policy and Its Conditions) in Collected Works, Vol. 32, pp. 329-369, presenteert Lenin’s analyse van de relatie tussen het kleine producentenkapitalisme en staatskapitalisme in 1921.
[16] – Trotski’s meest lyrische formuleringen over de groei van de productiekrachten in de Stalinistische “arbeidersstaat” staan te lezen aan het begin van The Revolution Betrayed (1936).
[17] – Dit is de formulering die gebruikt wordt in Bilan d’une révolution, p. 95.
[18] – Geciteerd in Grilli, op. cit., p. 282.
[19] – Trotski, The Revolution Betrayed, (New York, 1972), p. 8.
[20] – Vgl. Schachtman, Max, The Bureaucratic Revolution (New York 1962), voor de grondigste uiteenzetting van deze zienswijze.
[21] – Vgl. Bordiga, Russie et révolution dans la theorie marxiste, pp. 226-297, voor een bespreking van de evolutie van Marx’ denken over de Russische plattelandscommune en Rusland’s verloren “historische kans” om de kapitalistische fase over te slaan.
[22] – Over Marx’ diepe betrokkenheid bij het vraagstuk van de Russische landbouw in de laatste tien jaar van zijn leven, zie Teodor Shanin’s essay “Late Marx” in T. Shanin, red. Late Marx and the Russian Road, New York 1983. Ook J. Camatte, Bordiga et la révolution russe…, pp. 15-23.
[23] – Marx’ brief uit november 1877 is in het Duits gepubliceerd in Maximilien Rubel, red., Marx-Engels: Die russische Kommune (1972), pp. 49-53. (onze vertaling in de tekst)
[24] – Vgl. noot 22.
[25] – De analyses die Bordiga’s factie in 1921-24 maakte van het Italiaanse fascisme, ongetwijfeld deels door Bordiga zelf geschreven, zijn beschikbaar in Communisme et fascisme, (Ed. Programme communiste, 1970).
[26] – Zoals Marx in het Manifest zei, is communisme niet een ideaal dat gerealiseerd moet worden; integendeel is het “niets anders dan de werkelijke beweging die zich voor onze ogen voltrekt”. Voor een bespreking van communisme als de “werkelijke beweging”, zie Jean Barrot, Le mouvement communiste, (Ed. Champ Libre, 1972).
[27] – Voor een kritiek van het formalisme dat socialisme opvat als een vraagstuk van “organisatievormen”, zie het essay van Jean Barrot Contribution a la critique de l’ideologie ultra-gauche (Leninisme et ultragauche), in diens Communisme et question russe (Ed. de la Tete de Feuilles, 1972), pp. 139-178.
[28] – Dit wordt uitgewerkt door L. Grilli, op. cit., p. 38.
[29] – Een parallel in Rusland zelf was de “Leninheffing”, het feit dat de partij overspoeld werd met vormbare, onervaren of simpelweg carrièregerichte nieuwe leden die door Stalinisten gemanipuleerd werden tegen de restanten van de Oude Garde. De internationale evenknie van deze transformatie van de Communistische Internationale waren figuren als Cachin in de PCF of Thälman in de KPD.
[30] – Over de opkomst van de Newly Industrialising Countries en hun impact op ideologieën wereldwijd, zie Nigel Harris, The End of the Third World, (Londen 1986).
[31] – Over de kapitalisering van de Engelse landbouw, zie Robert Brenner, The Agrarian Origins of European Capitalism in T.H. Ashton en C.H.E. Philpin, The Brenner Debate, (Cambridge UP, 1985), pp. 213-327.
[32] – Over de mercantiele traditie en haar impact, zie Roman Szporluk, Communism and Nationalism: Karl Marx vs. Friedrich List, (Oxford UP, 1988).
[33] – Voor een bespreking van de impact van de agrarische depressie na 1873, zie Hans Rosenberg, Grosse Depression und Bismarckzeit, Berlijn 1967.
[34] – De Nederlandse ultralinkse Marxist Herman Gorter begreep, op een verwarde maar rake manier, al in 1921 de afwezigheid van een agrarisch vraagstuk voor Westerse arbeiders als de essentie van het verschil tussen de Russische revolutie en enige mogelijke revolutie in het Westen, een verschil dat door Lenin gebagatelliseerd werd in zijn pamflet De linkse stroming, een kinderziekte van het communisme. Vgl. H. Gorter, Open brief aan partijgenoot Lenin, Berlijn 1921.
[35] – Raya Dunayevskaya, Philosophy and Revolution, (New York 1975), h. 3.
[36] – Het “ongepubliceerde zesde hoofdstuk” is als appendix opgenomen in de nieuwe Engelse vertaling van deel I van Het Kapitaal (New York 1976), uitgebracht door Penguin. [Een Nederlandse vertaling, gemaakt door Sjarrel Massop, is te vinden op https://www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1864/resultate/index.htm – vert.]
[37] – Vgl. de brochure van de Franse groep Négation, Lip and the Self-Managed Counterrevolution (Engelse vertaling door Black and Red, Detroit, 1975).
[38] – Rita di Leo, Operai e sistema sovietico (Bari 1970), geeft in het eerste hoofdstuk een goede bespreking van het gebruik door de Sovjetstaat van Deel I van Het Kapitaal als “gebruiksaanwijzing” waaruit de categorieën van het planningsproces ontwikkeld werden.